Een sterke triatlontraining combineert een grote aerobe basis, een hoog duurzaam tempo en voldoende maximale capaciteit. LT1, LT2 en VO₂max helpen die kwaliteiten te beschrijven — maar geen van deze begrippen is een losse aan-uitknop.

Stijn Jansen gebruikt bij SJ Coaching een individuele opbouw met rustige duurtraining, gecontroleerde subthresholdtraining en wedstrijdspecifieke prikkels. Hieronder verklaren we de fysiologie achter het schema, inclusief de punten waarop de tekening te eenvoudig is.

De trainingspiramide: een denkschema, geen biologische landkaart

Originele trainingspiramide met LT1, LT2 en VO2max

Het aangeleverde schema. De tekst ‘weinig effect hart-long’ is geen algemene wetenschappelijke conclusie. Het middelste gebied kan juist nuttig zijn; de context bepaalt de waarde.

De brede basis verbeeldt veel rustige training. Het midden staat voor gecontroleerde inspanning tussen de drempels, de top voor intensiever werk. De breedte is geen voorschrift voor exacte percentages. Alle energiesystemen werken tegelijkertijd; bij hogere intensiteit verandert hun relatieve bijdrage.

De pijl ‘VO2max training’ onderaan is niet letterlijk: rustige duur kan bijdragen aan VO₂max, maar is geen VO₂max-intervalsessie. VO₂max is een maximale zuurstofopname, geen zone boven LT2.

Wat zijn LT1 en LT2 precies?

LT1, de eerste lactaatdrempel, is het punt waarop bloedlactaat bij een oplopende test voor het eerst duurzaam boven het lage uitgangsniveau stijgt. Het benadert de overgang van het moderate naar het heavy intensiteitsdomein. Ventilatoire drempels kunnen helpen, maar vallen niet bij iedereen exact samen met lactaatdrempels. [1]

LT2 is een tweede overgang, vastgesteld met een gekozen testmethode. Het wordt vaak gebruikt als schatting van de bovengrens van langdurig metabool stabiele inspanning. Een LT2 uit een oplopende test is echter niet automatisch gelijk aan maximale lactaat-steady-state (MLSS) of critical power/critical speed. Die begrippen worden anders gemeten en kunnen uiteenlopen. Boven de grens naar het severe domein ontstaat geen stabiele fysiologische toestand en neemt de resterende inspanningsduur sterk af. [1]

‘Aeroob’ en ‘anaeroob’ betekenen dus niet dat zuurstof onder een drempel aanstaat en erboven uitstaat. Zelfs bij zware intervallen blijft oxidatieve energievoorziening belangrijk.

BegripWat het beschrijftWat het niet bewijst
LT1Eerste aanhoudende lactaatstijging; indicatie voor de rustige bovengrensEén universeel optimaal trainingstempo
LT2Tweede drempel volgens een vastgelegde testmethodeExact hetzelfde als MLSS of critical power
VO₂maxMaximale snelheid van zuurstofopnameJe Ironmantempo of je volledige duurprestatie

Vaste 2 of 4 mmol/l zijn geen persoonlijke waarheid. Protocol, voeding, vermoeidheid en meetmethode beïnvloeden de uitslag; vergelijk herhaalmetingen onder vergelijkbare omstandigheden.

Zone 2 is niet overal dezelfde zone

In veel vijf-zonemodellen betekent ‘zone 2’ rustige duurtraining onder of rond LT1. In een fysiologisch drie-zonemodel is zone 1 onder LT1, zone 2 tussen LT1 en LT2 en zone 3 boven LT2. Het schema gebruikt de eerste betekenis. In dit artikel benoemen we daarom steeds de drempel zelf, niet alleen het zonenummer.

Mitochondriën: waarom rustig trainen werkt

Mitochondriën zijn celonderdelen waarin onder andere koolhydraten, vetten en lactaat oxidatief worden verwerkt om ATP te produceren. Herhaalde spiercontracties activeren signalen voor aanpassing, onder meer via calciumgerelateerde routes, AMPK en de regulatie van PGC-1α. Dat kan leiden tot meer mitochondriale eiwitten en een grotere oxidatieve capaciteit. Capillaire aanpassingen ondersteunen de aanvoer en uitwisseling van zuurstof en brandstoffen. [2,3]

Langdurige training onder LT1 is waardevol omdat je relatief veel trainingsarbeid kunt verzamelen met meestal lagere herstelkosten dan bij zwaarder werk. Dat ondersteunt consistentie. Het bewijs rechtvaardigt echter niet de claim dat precies nét onder LT1 het unieke optimum voor mitochondriale groei is. Ook lagere intensiteiten en intensieve intervallen kunnen mitochondriale aanpassingen veroorzaken. Trainingsstatus, duur, totale dosis en herstel veranderen de respons. [2,3]

Meer mitochondriën betekent niet automatisch beter functioneren. Studies meten eiwitinhoud, enzymactiviteit of ademhalingscapaciteit; een acute respons bewijst nog geen prestatieverbetering na maanden.

Moet iedere rustige training zo dicht mogelijk tegen LT1?

Nee. Dichter tegen LT1 vergroot doorgaans de belasting per minuut, maar kan ook het herstel bemoeilijken. Bij een lange training kunnen warmte, uitdroging en vermoeidheid de interne belasting laten oplopen. Een comfortabele marge helpt de training rustig te houden. Hartslagdrift is daarbij een signaal, geen bewijs op zichzelf dat je lactaatdrempel is overschreden.

Hoe helpt dit je VO₂max?

Volgens het Fick-principe wordt zuurstofopname bepaald door hartminuutvolume en het verschil tussen arteriële en veneuze zuurstofinhoud. Dat maakt VO₂max een combinatie van zuurstofaanvoer en benutting, niet uitsluitend een mitochondriënvraagstuk. [4]

Rustige duurtraining ondersteunt perifere aanpassingen en kan, vooral bij minder getrainde sporters, de VO₂max verhogen. Intensieve intervallen bieden een andere, vaak sterke prikkel voor hoge zuurstofomzet. Maar bij ervaren atleten is meer mitochondriale capaciteit niet automatisch een hogere VO₂max: de beperkende factor kan elders liggen. Daarom vullen duurtraining en gerichte intensiteit elkaar aan. [2–4]

Subthresholdtraining: gericht werken onder LT2

‘Subthreshold’ betekent hier gecontroleerd onder LT2. Het kan dus boven LT1 liggen. Het doel is kwalitatieve trainingsarbeid opbouwen zonder steeds in het zware, niet-stabiele domein te belanden.

Zo'n blok kan bijdragen aan oxidatieve capaciteit en het vermogen om een hogere fractie van je maximale capaciteit te benutten. Bij voldoende aanpassing kan vermogen of tempo bij een drempel toenemen. Maar LT2 is het meetresultaat van samenwerkende processen — geen afzonderlijke spier die je rechtstreeks traint. Ook rustige duurtraining en hogere intensiteiten kunnen invloed hebben op drempelvermogen. [1,4,6]

Lactaat is hier geen afvalstof die je alleen moet wegwerken. Het wordt continu gevormd, getransporteerd en onder meer door spieren en het hart geoxideerd. De bloedconcentratie weerspiegelt de balans tussen verschijnen en verdwijnen in het bloed. Minder lactaat bij hetzelfde vermogen kan daarom verschillende oorzaken hebben; het bewijst niet alleen ‘betere klaring’. [5]

Wat als je voortdurend in het grijze gebied traint?

Training tussen LT1 en LT2 kan zowel LT1- als LT2-gerelateerde prestaties verbeteren. Ze laat je drempels niet automatisch zakken en is zeker niet nutteloos voor hart en longen. Het risico ontstaat wanneer vrijwel elke training ongemerkt middelzwaar wordt: meer koolhydraatverbruik en vermoeidheid kunnen de haalbare rustige omvang en de kwaliteit van intensieve sessies beperken.

Of dat gebeurt, hangt af van de totale belasting en jouw herstel. Een tijdelijke slechtere testuitslag door vermoeidheid is bovendien niet hetzelfde als verlies van aerobe aanpassing. Onderzoek naar gepolariseerde, piramidale en drempelgerichte verdelingen laat geen universele winnaar voor iedere sporter en iedere uitkomst zien. [6,7]

De juiste vraag is niet ‘mag ik in het grijze gebied trainen?’, maar ‘welk doel heeft deze sessie en kan ik haar combineren met de rest van mijn week?’

Van fysiologie naar persoonlijke coaching in Zwolle

Bij SJ Coaching verbinden we trainingsgegevens met gevoel, herstel en je wedstrijdkalender. Niet iedereen heeft lactaatmetingen nodig: consistente gegevens over tempo, vermogen, hartslag en ervaren inspanning kunnen al helpen. Zwemmen, fietsen en lopen krijgen hun eigen beoordeling; een fietszone is niet automatisch je loopzone.

Lees ook waarom Ironmantraining anders wordt opgebouwd dan sprinttriatlontraining, bekijk persoonlijke coaching door Stijn Jansen of lees over Trainingsgroep Zwolle. Deelname aan SJ Coaching is vereist voor de groep; een proeftraining is altijd gratis.

Bronnen en bewijskracht

Dit is een uitleg op basis van onderzoek, geen individueel trainingsvoorschrift. Veel interventies duren enkele weken, gebruiken kleine groepen en verschillende testmethoden. Mechanistische bevindingen zijn niet één-op-één te vertalen naar Ironmanprestaties.

  1. Faude, Kindermann & Meyer (2009). Lactate threshold concepts: how valid are they? Overzicht van definities en meetproblemen. Sports Medicine.
  2. Mølmen, Almquist & Skattebo (2025). Systematische review en meta-regressie over mitochondriale en capillaire groei. Sports Medicine.
  3. Storoschuk en collega's (2025). Much Ado About Zone 2. Narratieve review, vooral algemene populatie. Sports Medicine.
  4. Joyner & Coyle (2008). Endurance exercise performance: the physiology of champions. Fysiologisch overzicht, geen vergelijking van kant-en-klare schema's. The Journal of Physiology.
  5. Brooks (2018). The Science and Translation of Lactate Shuttle Theory. Mechanistisch overzicht. Cell Metabolism.
  6. Oliveira en collega's (2024). Meta-analyse van gepolariseerde versus andere trainingsverdelingen. Sports Medicine.
  7. Rosenblat en collega's (2025). Netwerkmeta-analyse met individuele deelnemersdata over trainingsverdeling. Sports Medicine.
Terug naar blog